Waarom een leerlijn?

Gedurende je bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid vergaar je kennis en inzicht over het recht, leer je die kennis en inzichten toe te passen, leer je je eigen gefundeerde oordeel vormen over juridische vragen en leer je daarover te communiceren (mondeling en schriftelijk). Gedurende je bachelor doe je tot slot leervaardigheden op die in een vervolgopleiding (master) van pas komen.

Al deze vaardigheden leer je pas effectief als docenten je gericht feedback geven en je die feedback gebruikt om een volgende opdracht beter te doen. In een Leerlijn stemmen vakken onderling af over wat ze wanneer en hoe studenten aanleren. Zo ontstaat een opbouw van het niveau waarop de vaardigheden worden getraind. Om die reden werken we in Leiden met een Leerlijn.

Volg je de afstudeerrichting International Business Law, Entrepreneurship and Management of Economie? Dan leer je een aantal specifiek voor jouw richting noodzakelijke vaardigheden.

1. Het opzoeken van relevant juridisch materiaal (bronnen)

Het vinden van relevant juridisch materiaal is lastiger dan je denkt. In de bibliotheek van het KOG kun je de bibliothecarissen altijd om hulp vragen over hoe (bijvoorbeeld welke zoektermen) en waar (welke databases) je het best kunt zoeken.

De Universitaire Bibliotheek (UB) waar de bibliotheek van het KOG een onderdeel van is, biedt online tutorials aan over ‘zoeken’ en biedt ook cursussen op maat. Bezoek voor meer informatie de website.

Marjo Oldenhof en Ramses de Wit zijn de vakreferenten van de bibliotheek van het KOG. Bekijk ook de subject guide.

2. Het analyseren van juridisch materiaal

Om juridisch materiaal goed te kunnen analyseren, zul je jezelf moeten trainen in:

  • lezen: lezen is meer dan het lezen van de krant. Als je voor een werkgroep een stuk moet lezen, zul je de tekst moeten bestuderen. Dat betekent dat je
    • woorden die je niet kent, opzoekt;
    • redeneringen die je niet begrijpt, net zo lang leest tot je ze wel begrijpt of (als dat niet gebeurt) je docent vraagt wat de auteur bedoelt;
    • je bewust bent van wat je leest omdat de boodschap een andere waarde kan hebben afhankelijk van (bijvoorbeeld) wie het heeft geschreven: een wettekst (de wetgever), jurisprudentie (de rechter), een annotatie of een artikel (een academicus), etc.
  • analyseren: nadat je de tekst hebt gelezen, probeer je
    • na te vertellen (samenvatten) wat er staat:
      • door de bedoeling van / aanleiding voor de auteur te benoemen;
      • door de vragen die de auteur wil beantwoorden, te (her)formuleren;
      • door de structuur van de tekst in kaart te brengen;
      • door de antwoorden die de auteur geeft, te (her)formuleren;
    • te formuleren welke vragen de auteur niet beantwoordt;
    • te bedenken welke nieuwe vragen de tekst oproept;
    • verbindingen te leggen met andere teksten die je hebt gelezen of met kennis en inzichten die je al hebt;
    • op basis van je eigen inzichten zelf een mening te vormen over de tekst.

3. Het formuleren van een relevante vraagstelling

Aan de universiteit leer je op een academische manier denken: dit betekent dat je een ‘onderzoekende’ geest ontwikkelt. Onderzoek doen, betekent dat je jezelf een relevante vraag stelt (‘vraagstelling formuleren’) en die vraag op een wetenschappelijke (systematische) manier beantwoordt (dit staat beschreven bij 5: Onderzoeksmethode verzinnen).

Soms noemt men dit ook wel het formuleren van een probleemstelling.

Het stellen van een vraag is niet eenvoudig. Het kan ook pas nadat je je in een onderwerp hebt verdiept. Dat betekent dat je juridisch materiaal hebt gelezen en geanalyseerd. In stukken die je leest, worden soms vragen opgeworpen die de auteur interessant vindt, maar niet beantwoordt. Of een artikel dat je hebt geanalyseerd, roept nieuwe vragen bij je op. Zorg er wel voor dat je recente artikelen leest; anders zijn de vragen misschien al beantwoord.

Een vraag is dus niet hetzelfde als het onderwerp; het gaat erom dat je formuleert wat je over dat onderwerp wil weten, de wijze waarop je dat doet, de beperkingen naar tijd, plaats, doelgroep, enz. Ook beschrijf je welk doel je hebt bij het stellen van de vraag en waarom de vraag relevant is. Met andere woorden: is het de moeite waard om een antwoord/antwoorden op de vraag te krijgen?

Tips voor het formuleren van vragen:

  • De vraag moet niet te breed zijn: je moet de vraag ‘afbakenen’, anders wordt je onderzoek te oppervlakkig of veel te lang.
  • De vraag moet niet te smal zijn: hij moet interessant genoeg zijn en er moet genoeg in zitten om te kunnen onderzoeken.
  • De vraag moet niet gesloten zijn maar beginnen met ‘in hoeverre, hoe, waarom, in welke mate,’ etc.
Kennisclip – gelieve in te loggen met uw ULCN-account

4. Het formuleren van een relevant beoordelingskader

Een vraag beantwoord je altijd aan de hand van een ‘beoordelingskader’. Als je je bijvoorbeeld afvraagt of een procedure ‘eerlijk’ is, dan kun je de vraag niet beantwoorden, tenzij je formuleert wat je ‘eerlijk’ vindt. Oftewel: wie bepaalt wat eerlijk is, eerlijk ten opzichte van wie? Een beoordelingskader is dus een beschrijving van de criteria aan de hand waarvan je je vraag gaat beantwoorden of waaraan je toetst. Voorbeelden hiervan zijn andere regels (bijvoorbeeld uit andere wetten) of beginselen zoals het gelijkheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel en het beginsel van een eerlijk proces. Anders gezegd: het is het perspectief waarmee je je vraag bekijkt. Door een beoordelingskader op te nemen, baken je je vraag af zodat hij te onderzoeken is.

Kennisclip – gelieve in te loggen met uw ULCN-account

5. Het bepalen van een wetenschappelijk verantwoorde, adequate methode voor de beantwoording van de vraagstelling

Aan de universiteit leer je op een academische manier denken: dit betekent dat je een ‘onderzoekende’ geest ontwikkelt. Onderzoek doen betekent dat je jezelf een relevante vraag stelt (zie onder 3: ‘vraagstelling formuleren’) en die vraag op een wetenschappelijke (systematische) manier beantwoordt (‘methodologie’): de kennis die je nodig hebt om je vraag te beantwoorden, vergaar je dan dus op een systematische manier.

Als je een vraag op een systematische manier moet beantwoorden, ontwikkel je daarvoor een 'methode'. Dit is een manier om ervoor te zorgen dat je de kennis die je vergaart systematisch verzamelt. In je propedeuse leer je in het vak Methoden en Technieken van de Rechtswetenschap wat de juridische methode is en welke andere wetenschappelijke methodes er bestaan.

Omdat er verschillende methodes bestaan, leer je tijdens de opleiding welke methode geschikt is om welke vragen op te lossen, zodat je straks kunt kiezen welke methode je nodig hebt om jouw vragen te beantwoorden.

Kennisclip – gelieve in te loggen met uw ULCN-account

6. Het opbouwen van een gestructureerde en onderbouwde juridische argumentatie

Argumenteren doen we elke dag: waarom ga je wel of niet naar een feestje, waarom zou je wel of juist geen vegetariër worden?

Het recht is een 'argumentatief' systeem. Zo zijn rechtsregels uitkomsten van afwegingen tussen verschillende argumenten. Ook een rechter, advocaat of juridisch beleidsmedewerker komt tot oordelen, adviezen of voorstellen, terwijl hij of zij op een adequate manier (juridische) argumenten tegen elkaar afweegt.

Een juridische argumentatie bevat een gestructureerde en adequate inventarisatie van alle relevante argumenten en gezichtspunten. Deze argumenten en gezichtspunten heb je geselecteerd uit de door jou onderzochte juridische bronnen.

De argumenten en gezichtspunten weeg je tegen elkaar af, waarbij je telkens tussenconclusies formuleert die uiteindelijk op een logische manier leiden tot een onderbouwde eindconclusie.

7. Het vormen van een onderbouwd eigen oordeel over de beantwoording van een rechtsvraag, al dan niet op basis van een casus, met oog voor de sociaal-maatschappelijke en ethische dimensie

Een rechter beoordeelt bijvoorbeeld of de geformuleerde rechtsregels in een concreet geval toepasbaar zijn en wat de juridische uitkomst moet zijn in dat specifieke geval. Dit noemen we ‘casus oplossen’: het toepassen van algemene regels in concrete gevallen. Je kunt een casus dus alleen oplossen als je de algemene regels met alle voorwaarden, nuances en uitzonderingen goed kent. Als je dit niet beheerst, zal het je niet lukken.

We lossen een casus dus op door een feitencomplex te confronteren met de toepasselijke rechtsregels. De blik gaat daarbij van de feiten naar de rechtsregels en vervolgens weer van de rechtsregels naar de feiten en omstandigheden van het geval. Als het nodig is, gaat de blik zo meerdere keren heen en weer van feiten naar regels en terug.

Je begint het oplossen van een casus dus niet in het wilde weg. Je lost een casus op een gestructureerde manier op via de zogenoemde IRAC-methode: I = Issue, R= Rule, A= Analysis of Application, C= Conclusion. Deze structuur wordt je aangeleerd in het eerste jaar van de opleiding (bij het vak Inleiding recht) en wordt door alle vakken in Bachelor 1 toegepast en getoetst. Het oplossen van casus aan de hand van de IRAC-methode dwingt je namelijk om feiten en rechtsregels grondig te analyseren en vervolgens de rechtsregels correct op het specifieke feitencomplex van de casus toe te passen. Hoe werkt de IRAC-methode in het kort?

  • Voorwerk: je hebt alle relevante stof goed bestudeerd en de casus goed gelezen.
  • I = Issue: wat is de rechtsvraag? Al naargelang de moeilijkheidsgraad van de casus krijg je de vraag van de opleiding of moet je de vraag zelf ontdekken. In het eerste geval schrijf je de vraag op onder ‘I’. In het tweede geval zul je eerst de casus zelf en het relevante recht nader moeten bestuderen om de vraag te kunnen selecteren. Het kan ook zo zijn dat je meerdere vragen moet beantwoorden.
  • R = Rule: wat is het relevante juridisch kader? Beschrijf de rechtsregels en (afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de casus) de toepasselijke jurisprudentie en literatuur.
  • A = Application: toepassing van de rechtsregels op de concrete casus. Hier leg je stap voor stap alle regels en onderdelen van de casus langs het feitencomplex en bij elke stap concludeer je of aan de theorie is voldaan. Op deze manier kom je uiteindelijk tot een antwoord op je vraag.
  • C= Conclusion: hier formuleer je (als herhaling) het antwoord op je rechtsvraag / rechtsvragen.

Benieuwd geworden hoe het gaat? Bekijk dan deze video:

Kennisclip – gelieve in te loggen met uw ULCN-account

8. Het schriftelijk presenteren van vraagstelling, onderzoek en conclusies in een leesbare stijl, zonder taalfouten, met correcte literatuurverwijzingen, voor een publiek van juristen of niet-juristen

Schrijven doe je niet in het wilde weg; je maakt eerst een opzet.

Een opzet maak je voor elk onderzoek of schriftelijk stuk en bevat:

  • aanleiding, doelstelling en vraagstelling;
  • eventuele deelvragen;
  • een samenvatting waarin je in woorden uiteenzet waar het stuk over zal gaan, wat je zult behandelen en in welke volgorde;
  • een hoofdstuk‐ c.q. paragraafindeling;
  • de bronnen die je van plan bent te gebruiken.

Bij het maken van de opzet vraag je je af:

  • Is de centrale vraag (hoofdvraag) duidelijk en geschikt (zie eerdere opmerking over ́ Analyse en probleemstelling'?
  • Is de paragraafindeling logisch?
  • Kan de hoofdvraag met de aangedragen bronnen worden beantwoord? Houd bij het maken van de opzet de vereisten voor de eindversie in het achterhoofd (lees deze vereisten goed door).

Taalvaardigheid en schrijfvaardigheid zijn vanzelfsprekend erg belangrijk voor een jurist: je betoog moet leesbaar en overtuigend zijn. Stijl en taalbeheersing helpen je hierbij. Om je bewust te maken van je niveau voor verschillende taalonderdelen, neem je in Bachelor 1 deel aan de Taaltoets. Tijdens het introductieprogramma van Rechtsgeleerdheid (Leiden Law Practices (LLP)) word je hierop voorbereid. In de Brightspace-omgeving van de Taaltoets vind je allerhande oefenmateriaal. Gaandeweg te ontwikkelen taalclips maken hier deel van uit.

9. Het mondeling presenteren van een onderbouwde juridische argumentatie en conclusies op heldere en overtuigende wijze, voor een publiek van juristen of niet-juristen

Voor een mondeling betoog geldt de volgende checklist:

  • je hebt je goed voorbereid: je hebt presentatie bij verschillende mensen geoefend en je beheerst het onderwerp (juridisch) inhoudelijk.
  • je betoog heeft een duidelijke structuur.
  • je gebruikt argumenten om te overtuigen.
  • je kunt vragen adequaat beantwoorden.
  • je hebt een duidelijke rode draad; je kunt je boodschap 'dromen'.
  • je formuleert goed; je taalgebruik is helder.
  • je gebruikt je stem én je lichaamstaal.

Resultaat

17

stukken

3

presentaties

100%

startvaardig

Je hebt gedurende je bachelor minimaal 17 stukken geschreven, variërend van 400 – 5.000 woorden en variërend van essay tot scriptie. Op elk van deze stukken heb je feedback ontvangen die nuttig was voor het schrijven van een volgend stuk. Deze stukken en de ontvangen feedback zijn terug te vinden in je persoonlijke e-portfolio.

Je hebt gedurende je bachelor minimaal 3 presentaties gehouden, variërend van mondelinge presentaties in werkgroepen tot het pleiten bij Moot Court. Op deze mondelinge presentaties heb je feedback ontvangen die nuttig was voor een volgende presentatie.

Aan het einde van de bachelor heb je je behoorlijk getraind in bovenstaande juridische kernvaardigheden. Al deze vaardigheden heb je als afgestudeerd academisch jurist nodig voor een startersfunctie of een vervolgopleiding.

En verder?

Deze juridische kernvaardigheden kun je binnen de universiteit verder verdiepen. Zo onderscheid je je van andere studenten.

Behalve de vaardigheden die hiervoor zijn omschreven, is het zaak je ook op andere terreinen te ontplooien. Afgestudeerde juristen komen in de regel in een veelheid van functies terecht. Voor al deze functies zijn de zogenoemde 21ste eeuwse vaardigheden ook van belang. Deze vaardigheden train je doorgaans niet rechtstreeks in je juridische opleiding, maar kun je op een heel goede manier buiten de opleiding ontwikkelen. Op deze pagina's kun je per vaardigheid ontdekken hoe je deze nader kunt ontwikkelen in het kader van activiteiten die (1) zijn gelieerd aan de opleiding of (2) geheel losstaan van de opleiding, maar die je zeer waardevolle ervaring kunnen bieden.